an auf hinter in neben uber unter vor zwischen stehen in dem 4. Fall wenn man fragen kann wohin?

Uitleg

Dit zijn de "Wechselpräpositionen" (wisselvoorzetsels): an, auf, hinter, in, neben, über, unter, vor, zwischen. Op de melodie van Vader Jakob te zingen.

Ze krijgen de 4e naamval (Akkusativ) als er beweging is (vraag: wohin? — waarheen?), en de 3e naamval (Dativ) als er geen beweging is (vraag: wo? — waar?).

Alternatieven

  • In dem 3. Fall stehen sie dann, wenn man fragen kann: wo? oder wann?

Let op: figuurlijk gebruik

De wo/wohin-regel geldt voor plaatsbepalend gebruik. Bij figuurlijke, niet-plaatsbepalende uitdrukkingen bepaalt het werkwoord de naamval, niet de wo/wohin-vraag:

  • über heeft in figuurlijk gebruik een sterke voorkeur voor de Akkusativ, ook zonder beweging: über etwas sprechen/reden/diskutieren (over iets praten), en ook temporeel: über das Wochenende (gedurende het weekend).
  • auf heeft geen vaste voorkeur — dat hangt af van het werkwoord: warten auf en sich freuen auf (verheugen op) nemen Akkusativ, maar beruhen auf en basieren auf (berusten/gebaseerd zijn op) nemen juist Dativ.

Bij twijfel over plaatsbepalend gebruik blijft de standaardregel (wo? = Dativ, wohin? = Akkusativ) het uitgangspunt.